Ik ben niet hier om jou een goed gevoel te geven.

Ik ben niet hier om jouw kaarsje brandende te houden.

Ik ben niet hier om een pleister op jouw wondes te plakken.

Ik ben niet hier om jou te helpen of te troosten.

Ik ben niet hier om jou te bevestigen, noch te ontkennen.

Ik ben hier om in stilte bij je te zijn.

Ik ben hier zodat je de veiligheid in jezelf kunt gaan vinden.

Ik ben hier om je jouw eigen ziel te laten ontdekken, in je eigen tempo.

Ik ben hier zodat je je eigen verlangens kan gaan voelen, en je eigen waarheid kan ontdekken.

Ik ben aanwezig. Niet meer, en niet minder.

Aard-bei

De aardbeistruiken hangen vol met rijpe aardbeien. Heel bijzonder, want ze staan er pas voor het eerste jaar. Ik heb vorig jaar een paar kleine polletjes neergezet en ik pluk vergiet na vergiet vol met prachtige, glanzende aardbeien. Het aardbeienbed is afgekaderd door een paadje van houtsnippers, en aan de andere kant van het paadje heb ik nog een klein bed aangelegd. Dit bed dek ik niet af met een net, het bed is voor de vogels, de pissebedden en de muizen.
Iedere ochtend pluk ik mijn eigen portie en zie dan dat er weinig van het vogelbed is afgenomen. Als deze aardbeien te dik en rood worden pluk ik ze toch soms af, ik vind het zonde om ze te laten hangen en ze te laten beschimmelen.
Ineens is er vlakbij een merel, ze scharrelt in de bosjes, een oogje op mij gericht. Ik stop even met plukken en ik begroet haar, ze antwoord met gefluit en gekwetter. Ik fluit terug en samen fluiten we een deuntje terwijl ik verder pluk. Ineens zie ik de merel met een aardbei in de snavel weghippen. De aardbei komt uit mijn bed, niet uit het vogelbed. Zachtjes zeg ik tegen de merel “Zeg, waar ga je heen met mijn aardbei?”.  De merel stopt haar hippen naar de rand van het bed en kijkt mij aan met de aardbei in haar snavel. “Jóuw aardbei? Sinds wanneer zijn de aardbeien van jou?”. Ze blijft me aankijken, wachtend op een antwoord. Ik denk na over mijn woorden, die eigenlijk als grapje bedoeld waren, maar waar toch een serieuze ondertoon in zat. Ik zie de aardbeien blijkbaar als van mij, ik heb ze tenslotte geplant! De merel is niet overtuigd. “De aardbei is niet van jou of van mij” spreekt ze me toe. “De planten groeien in de aarde, de zon schijnt erop en de regen zorgt voor water om te groeien. Zijn de regen en de zon en de aarde dan ook van jou? Of zijn de aardbeien dan van de zon? Of van de regen? Of van de aarde?” vraagt de merel. Ik ben even sprakeloos, en een lach verschijnt op mijn gezicht. De merel draait haar kopje, steekt haar snavel met de aardbei erin omhoog in een wijs en alwetend gebaar, en hipt de struiken in om van daaruit het dak op te vliegen. Mijn aan mijn menselijke filosofieën overlatend.

Diep in mij leeft een nomade. Ze is altijd onderweg. Op zoek naar vruchtbare gronden en zonnige weides. Nieuwe ervaringen met andere lichtval. Daarbij neemt zij bergpassen, gletsjers en rivieren alsof het niets is. Ze is altijd nieuwsgierig naar de duistere nachten, de warmte van het vuur, de koude van de vorst. De innerlijke werelden zijn overweldigend mooi en weids. Eindeloos en uitgestrekt, onwerelds in haar schoonheid.
De nomade is rusteloos, er is altijd meer te ervaren en te ontdekken. Ze ziet altijd kansen en mogelijkheden. Ze ervaart tegenwind en opkomende koude en neemt die voor lief. Ze kleedt zich dikker aan en gaat op zoek naar de kern van de windhoos, de bron van de waterval, de dieptes van de koude.

De reis van de nomade is nooit gedaan, er zijn immer horizonten te verkennen, bergkloven te overwinnen, rotsten om vanaf te springen, water om in te zwemmen. De reis is oneindig.
De nomade heeft niemand nodig om te reizen, ze heeft genoeg aan zichzelf en de natuur om zich heen. Ze draagt haar gerief zelf. Naarmate de reis vordert merkt de nomade dat ze steeds minder spullen nodig heeft, haar rugzak wordt leger en leger en ze voelt zich jonger, lichter en comfortabeler met zichzelf en met de wereld.

Met de nomade reist een verslaggever mee. Ze registreert alles nauwkeurig en heeft overal een mening over. Ze vindt iets goed of slecht, fijn of niet fijn. Passend of ongepast. De nomade heeft zich veel aangetrokken van de verslaggever, maar ze beseft steeds meer dat zij haar eigen pad heeft. De verslaggever doet alleen maar het werk wat ooit is opgedragen; overal een mening over hebben.
Op een dag neemt de nomade de verslaggever bij de hand en spreekt haar toe. “Dank je wel voor al je werk gedurende mijn nomadenbestaan. Ik stel zeer op prijs dat je alles verslaat wat ik doe.  Maar ik zou graag van je willen dat je voortaan alleen nog maar beschrijft wat ik doe, zonder daar een mening aan te koppelen. Je opdracht is bij deze om neutraal te zijn en te blijven.” De verslaggever barst in tranen uit. “Dit was nou precies waar ik altijd bang voor was, dat je mij niet goed genoeg vond.” De nomade laat de verslaggever huilen zonder te troosten of te steunen. Gewoon door er te zijn en te luisteren. Geen mening te hebben over de tranen. Precies zoals de nomade graag zou willen dat de verslaggever haar reizen zou beschrijven. Ineens stoppen de tranen. “Ineens begrijp ik dat ik altijd goedkeuring bij jou zoek, nomade. Dat ik altijd maar hoop dat je zegt dat ik het goed doe. Maar het zit in mezelf, jij hebt dat nooit van mij gevraagd.” Het gezicht van de verslaggever klaart direct op. “Ik begrijp precies wat je bedoelt, en het voelt veel eenvoudiger om alleen maar te zeggen wat ik waarneem, zonder steeds de afweging te moeten maken of iets goed of fout is.” Beiden slaken een diepe zucht en dan staat de nomade op. Het is tijd om te gaan, er zijn nog vele werelden te verkennen en te beschrijven.

 

Stier
Bij de parking van het bos is een weide, er liggen drie stieren in de zon in het gras. Het bord wat erbij staat zegt ‘Natuurvlees’. We staan de stieren te bewonderen, ze zijn zo gigantisch groot dat we er stil van zijn. De dichtstbijzijnde stier kijkt ons ineens aan. Ik voel een diepe angst, zijn blik boort zich in mij. Als hij aanstalten maakt om op te staan zakt de angst nog dieper door; als deze stier met zijn 700 of 800 kilo naar mij toe zou rennen, zou het draad wat ons scheidt helemaal niets voorstellen. De stier houdt zijn blik op ons gericht en brengt heel langzaam een poot naar voor zijn lichaam, daarna probeert hij zijn achterpoten onder zijn lichaam te brengen om zichzelf op te kunnen drukken. Met de nadruk op proberen. De enorme poten van de stier lijken wel wankele tafelpootjes onder het massieve lijf. Hij blijft proberen om op te staan, nu met succes. Wankel staat hij op zijn vier poten te wiebelen. Nu pas is zijn immense lijf goed zichtbaar. Het ziet er wanstaltig uit, met grote uitstulpingen op de plaats waar spieren verwacht worden. Zijn achterwerk zo idioot rond dat het een gevoel van schaamte bij mij naar boven brengt. Wie heeft in godsnaam bedacht dat dit het model voor een stier is? Zijn lijf doet denken aan een overtrainde bodybuilder.
De kop van de stier is zwart en boven zijn ogen heeft hij een krullenkopje. Zijn kop is die van een bizon, een majestueuze kop die niets dan kracht uitdrukt. Een tegenstelling tot zijn mismaakte lijf. Hij blijft zijn ogen op mij gericht houden en ineens begint hij te loeien. Het dringt diep bij mij binnen, zijn woorden loeien woorden in mij naar boven. Woorden van verlangen, van onmacht en van ontkrachting. De tranen springen in mijn ogen. Ik zie zijn ziel, zo puur en sterk, gevangen in zijn machteloze lijf. Hij doet een klein wankelend stapje naar voren en laat zich dan weer vermoeid in het gras ploffen. Ik kan het niet meer aanzien en zeg inwendig tegen hem “Ik zie je, ik zie je ziel. Ik zie jouw lijden, en ik kan niets doen om jou te helpen. Ik voel me net zo machteloos als jij. Het spijt me.” Hij stopt zijn loeien en begint aan zijn herkauwen en wij gaan onze wandeling in het bos beginnen. Alle drie stil en verwonderd over deze ontmoeting.

Missie?
Voor mij op straat ligt een kastanje. Ik raap hem op en neem hem in mijn vuist. Het is een paardenkastanje. Ik streel zachtjes zijn gladde donkerbruine schil. Er zit een scheur in zijn jas. Ik zeg tegen de kastanje dat dat waarschijnlijk toch niet uit maakt, als het bedoeld is om te groeien tot een grote kastanje dan maakt die scheur ook geen verschil. Ik beloof de kastanje om hem thuis onder de grond te stoppen zodat hij zijn missie kan volbrengen. Maar tijdens het naar huis lopen vraag ik me af, is dat wel zijn missie? Hoe kunnen we weten wat zijn missie is? Misschien is het geen hem maar een haar, of een het? En misschien is de kastanje wel bedoeld om als klein boompje te eindigen als konijnenvoer? Of misschien is de bedoeling dat de kastanje verder kapotgereden wordt op de straat zodat hij humus kan worden voor vele andere bomen?
Dat zijn potentie is om een woudreus te worden en geboorte te schenken aan honderdduizenden nieuwe potentievolle kastanjes, wil nog niet zeggen dat deze kastanje dat ook gaat volbrengen.
Weten wij veel.

Deze kastanje zal geen woudreus worden, er is geen ruimte in onze omgeving voor woudreuzen. Zelfs niet voor een klein reusje. Ik neem de kastanje mee naar binnen, leg hem op mijn altaar en schrijf er een verhaaltje over. Dat is vast een verrassende wending voor deze kastanje. Zo zie je maar, je denkt dat je weet wat jouw doel is, maar laat je verrassen. Het zou zo maar ineens iets anders kunnen zijn of worden.

Het managen van je verwachtingen, het paard als object.
Wie kent het niet?
Het begint bij een verlangen. Verlangen naar samen zijn, samen in de natuur zijn. Samen langs het strand galopperen, en samen het bos verkennen. Of samen mooie resultaten behalen, in de prijzen vallen en op het podium staan. Mooie momenten die je hoopt te gaan beleven samen met jouw nieuwe paard. De verwachtingen zijn hoog gespannen. Maar dan?

Dan blijkt dat de nieuwe aankoop, het object dat jouw verlangen zou gaan invullen, mankementen te hebben. Bijvoorbeeld lichamelijk omdat het een versleten rug blijkt te hebben. Of misschien is het psychisch; jouw paard heeft duidelijk andere interesses dan samen met jou op buitenrit te gaan. Of misschien blijkt het paard toch niet zo bom-proef te zijn als bij de vorige eigenaar. Inmiddels kan ik er een boek over schrijven. Over mezelf, maar ook over mensen bij wie ik kom om les te geven.
Hoe ga je om met die teleurstelling? Ga je alsnog je paard dwingen aan jouw verwachtingen te voldoen? Of ga je zelf ‘bakzeil’ halen? Je verwachtingen bijstellen? Ik zie dat als het managen van je eigen verwachtingen. Dat vraagt van jou een offer, om je eigen wensen op een laag pitje te zetten ten dienste van jouw paard.

En hoe zou het voor het paard zijn, vraag ik me iedere keer af? Hoe zou dat voelen als iemand zijn of haar verwachtingen over jouw prestaties zo hoog gespannen zijn? Hoe zou het zijn als je wordt gezien als object (datgene waarop de mens in zijn handelen is gericht, dus een ding).

Misschien vind je bovenstaande overtrokken. Maar verplaats je jezelf eens in een soortgelijke situatie waarin je van subject verwordt tot object. Bijvoorbeeld; jij als kind van je ouders. Zij hebben nooit de gelegenheid gehad om te leren of om het maatschappelijk ver te schoppen. Jij leert relatief makkelijk en doorloopt de scholen die zij ook wel hadden willen doorlopen. Daarna zijn de verwachtingen hoog gespannen. Gaat ons kind waarmaken wat ons niet is gelukt? Is het als kind dan nog mogelijk om een subject te blijven waarbij jij bepaalt wat er met jou gebeurt? Of ga je de verwachtingen van jouw ouders invullen en wordt je (op dat deel) object? Hoe voel jij je daar dan bij?

Terug naar het paard; ben jij als eigenaar in staat om jouw verwachtingen onder de loep te nemen en het paard de mogelijkheid te geven om paard te zijn en vanuit zijn eigenheid met jou te gaan samenwerken? Niet omdat jij dat wilt, maar omdat hij of zij het fijn vindt. Ben jij in staat om jouw paard van object een subject te laten worden?
 
Op een ochtend besluiten mijn man Coen en ik om samen een dag naar Vught toe te gaan. De reden van ons bezoek is dat ik heb begrepen dat de man van mijn stief-grootmoeder daar aan het begin van de tweede wereldoorlog in de bossen is gefusilleerd. Hij was een niet-Joodse advocaat en is indertijd gefusilleerd als vergelding voor een groep Duitsers die werden vermoord. We zijn benieuwd of er iets terug te vinden is van zijn aanwezigheid op die plaats.
 
Aangekomen bij kamp Vught valt het ons op dat de plaats door de jaren heen steeds een soortgelijke bestemming heeft gehad. Van interneringskamp tot militaire basis tot penitentiaire inrichting. We doen een bezoek aan het kampdeel waarin een museum is ingericht waarbij je kan zien hoe het er in de oorlog aan toe ging. We ervaren een zware en haast vervuilde atmosfeer. In de entree drinken we nog een kop thee. De zwaarte blijft op ons drukken. We praten over hoe je een schoonmaakbedrijf voor dit soort situaties zou kunnen beginnen. Het reinigen van plaatsen waar de energie bezwaard is met het lijden van de mens.
We lopen door het bos naar de fusilladeplaats. Coen loopt aan de ene kant van het bospad en ik aan de andere kant. We stemmen ons af op ‘dat wat er is’. Ineens kijken we elkaar aan. Coen roept heel hard “Stehen bleiben!!”. Ik ben als verlamd, blijf staan en steek mijn armen in de lucht, ten teken dat ik ongewapend ben. Coen heeft zijn armen opgeheven, als zou hij zijn geweer op mij richten. We blijven zo staan, gevangen in een situatie die we niet kennen en waarvan we niet weten waarheen het gaat. Ik ben volkomen gedachteloos, totaal in het moment. Totdat ik voel dat er iets smelt tussen ons. De verlamming raakt verbroken. Coen laat zijn armen zakken en zegt “Es tut mir leid.”. Het spijt mij. We laten onze tranen stromen zonder te weten waar ze vandaan komen. Ik weet ineens, ik moet hier zo snel mogelijk vandaan, en loop vlug het bospad af, weg van mijn vijand. Aan het einde van het pad stap ik uit de situatie waar ik in beland was, en stamp even op de grond om weer helemaal Sabine te zijn. Coen komt aanlopen, en terwijl we samen doorlopen naar de fusilladeplaats spreken we onze verwondering uit over de bijzondere gebeurtenis.

Verderop vinden we het monument waar heel veel mensen lopen. Hoe wonderlijk dat we tijdens de situatie in het bos niemand zijn tegengekomen, en dat niemand op dat moment op het bospad liep. Op het monument ontbreekt de naam van de man van mijn stief-grootmoeder.
 

Wat een prachtige dag!
De zon scheen, de wind was zacht, de temperatuur aangenaam, de mensen begeesterd en de paarden relaxt en geïnteresseerd.

Ik voel me bijzonder dankbaar voor de bijdrage van een ieder en alles bij de inwijding van ons erf, zodat er ruimte is voor lichtwerk en vanaf vandaag mijn werk van start kan gaan met deze inzichten en basis, ondersteund door een groep zeer bijzondere mensen.

Review van Kim de Jong

Herstellende van een burn out, kwam ik terecht bij Sabine. Niet alleen werd ik hartelijk en met open armen ontvangen, ze gaf me eveneens de rust en aandacht die ik op dat moment nodig had.
Sabine biedt niet alleen een luisterend oor, ze voelt ook feilloos aan wat er speelt. Met haar prachtige, eigengereide en sensitieve paarden, spiegelt ze precies waar je op dat moment staat en tegen aanloopt. Ze moedigt aan waar nodig, maar laat je ook zelf tot inzichten komen.
Hoewel ik met paarden ben opgegroeid, heb ik niet alleen anders naar mezelf en mijn patronen leren kijken, maar ook naar deze dieren. Ik heb meer inzicht gekregen in hoe ik deze dieren aanspreek en wat voor reactie dit geeft. Dat is zo mooi aan Sabine, het welzijn van haar beesten staat voorop maar verliest haar cliënten hierbij niet uit het oog.
Sabine kan lezen en schrijven met haar paarden, en dit alles vanuit rust, respect, vertrouwen en harmonie. Haar dieren zijn op hun eigen(wijze) manier stuk voor stuk meesters in het spiegelen van emoties, triggers, valkuilen en (oude) patronen.
Werken met Sabine en haar paardjes, is een verrijking van jezelf! Ze neemt de tijd voor je, is doortastend, nuchter en zegt waar het op staat. Naast inzicht in de schaduwkanten in jezelf, leer je ook over je sterke eigenschappen, is er ruimte voor lol en plezier en ben je de hele dag lekker buiten.
Kortom, een waardevol bezoek, wat me nog lang zal bijblijven en wat ik iedereen aan kan raden!
 
Kim de Jong