Stier

'Stier
Bij de parking van het bos is een weide, er liggen drie stieren in de zon in het gras. Het bord wat erbij staat zegt ‘Natuurvlees’. We staan de stieren te bewonderen, ze zijn zo gigantisch groot dat we er stil van zijn. De dichtstbijzijnde stier kijkt ons ineens aan. Ik voel een diepe angst, zijn blik boort zich in mij. Als hij aanstalten maakt om op te staan zakt de angst nog dieper door; als deze stier met zijn 700 of 800 kilo naar mij toe zou rennen, zou het draad wat ons scheidt helemaal niets voorstellen.  De stier houdt zijn blik op ons gericht en brengt heel langzaam een poot naar voor zijn lichaam, daarna probeert hij zijn achterpoten onder zijn lichaam te brengen om zichzelf op te kunnen drukken. Met de nadruk op proberen. De enorme poten van de stier lijken wel wankele tafelpootjes onder het massieve lijf. Hij blijft proberen om op te staan, nu met succes. Wankel staat hij op zijn vier poten te wiebelen. Nu pas is zijn immense lijf goed zichtbaar. Het ziet er wanstaltig uit, met grote uitstulpingen op de plaats waar spieren verwacht worden. Zijn achterwerk zo idioot rond dat het een gevoel van schaamte bij mij naar boven brengt. Wie heeft in godsnaam bedacht dat dit het model voor een stier is? Zijn lijf doet denken aan een overtrainde bodybuilder. 
De kop van de stier is zwart en boven zijn ogen heeft hij een krullenkopje. Zijn kop is die van een bizon, een majestueuze kop die niets dan kracht uitdrukt. Een tegenstelling tot zijn mismaakte lijf. Hij blijft zijn ogen op mij gericht houden en ineens begint hij te loeien. Het dringt diep bij mij binnen, zijn woorden loeien woorden in mij naar boven. Woorden van verlangen, van onmacht en van ontkrachting. De tranen springen in mijn ogen. Ik zie zijn ziel, zo puur en sterk, gevangen in zijn machteloze lijf. Hij doet een klein wankelend stapje naar voren en laat zich dan weer vermoeid in het gras ploffen. Ik kan het niet meer aanzien en zeg inwendig tegen hem “Ik zie je, ik zie je ziel. Ik zie jouw lijden, en ik kan niets doen om jou te helpen. Ik voel me net zo machteloos als jij. Het spijt me.”  Hij stopt zijn loeien en begint aan zijn herkauwen en wij gaan onze wandeling in het bos beginnen. Alle drie stil en verwonderd over deze ontmoeting.'
Stier
Bij de parking van het bos is een weide, er liggen drie stieren in de zon in het gras. Het bord wat erbij staat zegt ‘Natuurvlees’. We staan de stieren te bewonderen, ze zijn zo gigantisch groot dat we er stil van zijn. De dichtstbijzijnde stier kijkt ons ineens aan. Ik voel een diepe angst, zijn blik boort zich in mij. Als hij aanstalten maakt om op te staan zakt de angst nog dieper door; als deze stier met zijn 700 of 800 kilo naar mij toe zou rennen, zou het draad wat ons scheidt helemaal niets voorstellen. De stier houdt zijn blik op ons gericht en brengt heel langzaam een poot naar voor zijn lichaam, daarna probeert hij zijn achterpoten onder zijn lichaam te brengen om zichzelf op te kunnen drukken. Met de nadruk op proberen. De enorme poten van de stier lijken wel wankele tafelpootjes onder het massieve lijf. Hij blijft proberen om op te staan, nu met succes. Wankel staat hij op zijn vier poten te wiebelen. Nu pas is zijn immense lijf goed zichtbaar. Het ziet er wanstaltig uit, met grote uitstulpingen op de plaats waar spieren verwacht worden. Zijn achterwerk zo idioot rond dat het een gevoel van schaamte bij mij naar boven brengt. Wie heeft in godsnaam bedacht dat dit het model voor een stier is? Zijn lijf doet denken aan een overtrainde bodybuilder.
De kop van de stier is zwart en boven zijn ogen heeft hij een krullenkopje. Zijn kop is die van een bizon, een majestueuze kop die niets dan kracht uitdrukt. Een tegenstelling tot zijn mismaakte lijf. Hij blijft zijn ogen op mij gericht houden en ineens begint hij te loeien. Het dringt diep bij mij binnen, zijn woorden loeien woorden in mij naar boven. Woorden van verlangen, van onmacht en van ontkrachting. De tranen springen in mijn ogen. Ik zie zijn ziel, zo puur en sterk, gevangen in zijn machteloze lijf. Hij doet een klein wankelend stapje naar voren en laat zich dan weer vermoeid in het gras ploffen. Ik kan het niet meer aanzien en zeg inwendig tegen hem “Ik zie je, ik zie je ziel. Ik zie jouw lijden, en ik kan niets doen om jou te helpen. Ik voel me net zo machteloos als jij. Het spijt me.” Hij stopt zijn loeien en begint aan zijn herkauwen en wij gaan onze wandeling in het bos beginnen. Alle drie stil en verwonderd over deze ontmoeting.